Huisdierrijk

Achter fietsers of wild aan: hoe krijg je er grip op?

Samengevat: achtervolgen is jachtgedrag, en jachtgedrag is zelfbelonend — je hond hoeft niets te pakken om er iets aan over te houden. Daarom wordt het sterker bij elke herhaling, en daarom werkt roepen op het moment dat hij al rent vrijwel nooit. De winst zit in twee dingen: voorkomen dat hij nog kan oefenen, en ingrijpen in de eerste fase van de jachtreeks, als hij nog alleen kijkt. In dit artikel staat hoe die reeks werkt, wat je vandaag al kunt doen aan management, welke vijf bouwstenen je traint, en waarom je als eigenaar ook juridisch risico loopt.

📌 In dit artikel leer je:

  • Uit welke fasen de jachtreeks bestaat en in welke fase je nog invloed hebt
  • Waarom roepen, straffen en "de hond moe maken" dit gedrag niet oplossen
  • Welk management je vandaag al instelt, zodat je hond niet blijft oefenen
  • Vijf bouwstenen om te trainen, inclusief een vervangende uitlaat voor de rendrang
  • Wat je doet op het moment dat het misgaat, en wat je juist niet doet
  • Waar je juridisch staat als je hond een fietser laat vallen of wild opjaagt
Diercategorie Honden
Niveau Ervaren baasje
Type artikel Handleiding
Gericht op honden Honden met veel energie

Waarom je hond dit doet: de jachtreeks

Achtervolgen is geen ongehoorzaamheid

Een fietser, een jogger, een skateboarder of een wegspringende haas doet precies datgene wat bij een hond het jachtgedrag aanzet: snel bewegen, en weg van hem af. Dat is geen ongehoorzaamheid en ook geen karakterfout, maar een reeks aangeboren bewegingspatronen die in gang wordt gezet zodra de juiste prikkel zich voordoet.

Belangrijker nog: het rennen is zelf de beloning. Je hond hoeft niets te pakken om er iets aan over te houden, en de opmerking "hij vangt nooit iets, dus het kan geen kwaad" gaat daarom niet op. Elke geslaagde achtervolging maakt de volgende waarschijnlijker. Dat is ook de reden dat dit gedrag in weken kan ontstaan en in maanden moet worden bijgestuurd.

💡 Uit welke fasen bestaat jachtgedrag?

De klassieke indeling van Coppinger kent acht schakels: oriënteren, fixeren, sluipen, achtervolgen, grijpen, doodbijten, ontleden en opeten. Bij honden is die volledige reeks nooit helemaal bevestigd; fokkerij heeft er stukken uit versterkt of juist afgezwakt. Daarom werken herders vooral met fixeren en sluipen, windhonden met achtervolgen, terriërs met grijpen en schudden, en retrievers met apporteren zonder te beschadigen. Ook honden zonder die achtergrond doen het trouwens: bij gezelschapshonden is de reeks zwakker, maar niet weg.

Recenter onderzoek van Broseghini en collega's analyseerde zestig video-opnamen van honden in echte jachtsituaties en kwam tot vier praktische fasen: zoeken, naderen, achtervolgen en bijten. Dat is de indeling die je in de wandeling kunt gebruiken, want je invloed neemt met elke fase snel af.

Waar je nog invloed hebt

De vuistregel is simpel: hoe verder in de reeks, hoe minder je hond nog te bereiken is. Wie wacht tot de sprint is ingezet, komt altijd te laat. Alles in de training is er daarom op gericht dat jij de eerste fase leert zien en gebruiken.

Fase Wat je ziet Wat jij doet Kans van slagen
1. Zoeken Kop omhoog, oren naar voren, snuiven in de wind, scannend kijken, tempo verandert Nu handelen: naam of kijk-signaal, omdraaien, afstand maken en belonen Groot
2. Naderen Lichaam laag of stijf, blik vastgeklonken, sluipende of versnellende stappen, niet meer reageren op geluid Noodsignaal, U-turn, lijn kort en zelf bewegen. Praat niet tegen hem aan Wisselend
3. Achtervolgen Volle sprint, geen contact meer, hoort je niet Eén keer je noodsignaal, dan zelf de andere kant op rennen; niet blijven schreeuwen Klein
4. Bijten Grijpen, schudden, vasthouden Alleen nog schadebeperking; hierna een gedragsdeskundige inschakelen Zeer klein

Herken je de signalen van fase 1 slecht? Dan is dat het eerste wat je oefent, zonder dat er een prikkel in de buurt is: kijk tijdens een gewone wandeling naar je hond in plaats van naar je telefoon en benoem voor jezelf wat hij doet. Wie de kopbeweging ziet, heeft een paar seconden voorsprong — en dat is precies het verschil.

Waarom roepen, straffen en moe maken niet werken

Roepen en schreeuwen

Hard "NEE" of de naam van je hond roepen terwijl hij al in fase 2 of 3 zit, heeft twee effecten, en geen van beide is het effect dat je wilt. Het voegt spanning toe aan een situatie die al hoog geladen is, en het verzwakt je signaal: een naam of een terugroepsignaal dat vaak wordt gebruikt zonder dat het werkt, wordt achtergrondgeluid. Zo raak je precies het middel kwijt dat je in fase 1 nodig hebt.

Straffen na het incident werkt om dezelfde reden niet. Je hond is dan bezig met wat er op dat moment gebeurt — namelijk bij jou terugkomen — en dat is wat er wordt bestraft. Een hond die bij thuiskomst uitgefoeterd wordt, leert niet "niet achter fietsers aan", maar "niet terugkomen".

Stroombanden zijn in Nederland verboden

Bij dit type gedrag krijgen eigenaren geregeld het advies een stroomband te gebruiken. Dat mag niet: sinds 1 januari 2022 is het gebruik van apparatuur die stroomstoten aan een hond kan geven in Nederland verboden, vastgelegd in het Besluit houders van dieren. Uitzonderingen gelden alleen voor diergeneeskundige handelingen, schrikdraad en politie en marechaussee. De verkoop is niet verboden, dus dat je zo'n band kunt kopen, zegt niets over of je hem mag gebruiken. Stelt een trainer dit voor, zoek dan een andere trainer.

"Een moe hondje is een braaf hondje"

Dit is het meest gegeven advies bij jachtgedrag, en het klopt niet. Jachtgedrag is niet iets wat opraakt als je het energiereservoir leegtrekt; het wordt aangezet door een prikkel, niet door een overschot. Een hond die net twee uur heeft gerend, gaat nog steeds achter een opvliegende fazant aan. Bovendien werkt het vaak averechts: een oververmoeide, overprikkelde hond heeft mínder impulscontrole, niet meer, en langdurig hardlopen naast de fiets of eindeloos ballen gooien traint precies de spieren en de gewoonte die je niet wilt versterken.

Wat wel helpt is niet méér inspanning, maar de juiste inspanning: snuffelwerk, zoekspel en een vervangende uitlaat voor de rendrang op jouw signaal. Zie daarvoor de bouwstenen verderop, en voor het dagelijkse snuffelwerk ons artikel over wandelroutes en snuffelwandelingen.

Fouten die het probleem groter maken

  • De lijn vieren op het moment dat hij fixeert. Daarmee geef je ruimte precies wanneer de spanning oploopt; kort juist in.
  • Blijven roepen tijdens de sprint. Eén keer je noodsignaal, daarna is praten zinloos en beschadig je het signaal.
  • Inconsistent ingrijpen. Vandaag erachteraan mogen en morgen niet, is het recept voor een hond die het altijd probeert.
  • Doorlopen met een hond die al aan het scannen is. Wie in fase 1 gewoon doorwandelt, komt in fase 2 terecht.
  • Blijven wandelen op de route waar het altijd misgaat. Elke herhaling versterkt het gedrag; verander eerst de route, dan de hond.
  • Een rollijn gebruiken. Die blokkeert niet betrouwbaar bij een sprint, de lijn kan door je hand branden en de constante spanning leert je hond dat trekken werkt.

Trekt je hond ook aan de lijn naar honden of mensen, dan spelen daar deels dezelfde mechanismen. Ons artikel over uitvallen aan de lijn gaat daar verder op in.

Waarom dit meer is dan een vervelende gewoonte

Je bent aansprakelijk, ook zonder contact

Voor schade die je hond veroorzaakt geldt in Nederland risicoaansprakelijkheid: artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek legt die bij de bezitter van het dier, ook als die niets verkeerd heeft gedaan. In een zaak bij de rechtbank Midden-Nederland over een incident in 2025 liep een loslopende hond vanaf een zijpad het fietspad op; de fietser week uit, remde hard en viel. Er was geen enkel contact tussen hond en fietser, en toch werd de eigenaar volledig aansprakelijk gehouden voor de materiële en immateriële schade.

"Mijn hond deed niks, hij rende er alleen achteraan" is dus geen verweer. Controleer om die reden of je een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren hebt en of je hond daarin meeverzekerd is; bij letselschade lopen de bedragen hard op.

Wild, en wat de wet daarover zegt

Voor wild gelden aparte regels. Je hebt een zorgplicht om te voorkomen dat je hond dieren in het wild schade toebrengt, en dat betekent dat hij altijd onder controle moet zijn — ook in gebieden waar hij los mag lopen. In het broedseizoen, dat meestal wordt aangehouden van 15 maart tot en met 15 juli, wordt er scherper gehandhaafd; in een reportage over de Arnhemse bossen ging het om boetes van 108 euro per overtreding. Een opgejaagd ree kan bovendien aan de stress overlijden zonder dat je hond het dier ooit heeft aangeraakt.

Heb je een windhond of een andere "lange hond", let dan extra op: wie zich met een jachtmiddel in het veld bevindt, wordt geacht te jagen, en lange honden vallen onder die jachtmiddelen. Het LICG adviseert daarom om windhondachtigen buiten niet los te laten lopen.

En je hond zelf loopt risico

Een hond in volle jachtmodus let niet op wegen, prikkeldraad, sloten of andere honden. Verkeersongelukken, snijwonden, verstuikingen en uitputting zijn de gewone uitkomsten van een geslaagde achtervolging. Bij wild komt daar nog bij dat een ree of een zwijn zich verdedigt: een trap of een houw kan flinke schade doen.

Eerst management, dan training

Management betekent: de situatie zo inrichten dat je hond het gedrag niet meer kan uitvoeren. Dat voelt als uitstellen, maar het is het tegendeel. Omdat elke geslaagde achtervolging het gedrag versterkt, kun je niet tegelijk trainen en laten oefenen. Eerst de herhaling eruit, dan werken aan het gedrag.

  • Een lange lijn van 5 tot 10 meter op een Y-tuig, nooit op een halsband: bij een sprint komt de klap anders vol op de nek. Houd de lijn in lussen in je hand, niet om je hand gewikkeld.
  • Geen vrij loslopen in gebieden met wild zolang je hond in fase 1 niet betrouwbaar te bereiken is. Dat is geen straf, dat is de voorwaarde om verder te komen.
  • Kies rustige tijden en plekken voor de dagelijkse wandelingen, en houd afstand van fietspaden en doorgaande paden.
  • Verander de route waar het structureel misgaat. Een vaste plek waar altijd hazen zitten, is een oefenterrein voor het verkeerde gedrag.
  • Overweeg een muilkorf als je hond in fase 4 komt, dus echt grijpt. Die voorkomt schade, maar niet het rennen — en hij moet rustig worden opgebouwd, weken voor je hem nodig hebt.
  • Houd bij waar en wanneer het gebeurt. Een paar weken notities laten vaak een patroon zien: één pad, één tijdstip, één soort prikkel. Daarmee kun je veel gerichter plannen.

Management is geen mislukking

Veel eigenaren voelen zich schuldig als ze hun hond aan de lijn houden waar hij los mocht. Draai het om: je neemt de situatie waarin hij altijd verliest bij hem weg. Honden die een paar maanden geen enkele geslaagde achtervolging maken, zijn merkbaar makkelijker te bereiken — simpelweg omdat het gedrag niet meer wordt bekrachtigd.

Vijf bouwstenen om te trainen

Jachtgedrag "afleren" bestaat niet. Wat wél kan, is een alternatief bouwen dat voor je hond de moeite waard is, plus een stopsignaal dat werkt voordat de sprint begint. Deze vijf bouwstenen horen bij elkaar; alleen een terugroepsignaal is niet genoeg.

  1. Vrijwillig oogcontact. Markeer en beloon elke keer dat je hond spontaan naar je kijkt, te beginnen in de tuin en op rustige plekken. Je bouwt hiermee de gewoonte dat "iets gezien" en "even checken bij mijn mens" bij elkaar horen. Dit is de bouwsteen waarop alle andere rusten.
  2. Een noodsignaal dat je bijna nooit gebruikt. Kies een woord of fluitsignaal dat je alleen hiervoor inzet, en dat altijd wordt gevolgd door iets uitzonderlijks: een handvol vlees, een sprint achter een dummy aan, een trekspel. Gebruik het maximaal een paar keer per maand in het echt, en verder alleen in de training — anders verwatert het net als de naam.
  3. De U-turn. Leer je hond dat jouw omdraaien betekent: mee, en meteen. Oefen dit eerst zonder prikkel, met een blij "kom" en zelf wegrennen, zodat het een spelletje wordt in plaats van een correctie. Dit is wat je in fase 2 nodig hebt.
  4. Vervangende uitlaat per fase. Geef je hond de bewegingen die hij in de jachtreeks zoekt, maar in een vorm waar jij bij hoort. Zoekwerk en snuffelspel vullen de zoekfase. Een gegooid voerzakje of dummy vult de rendrang. Een trekspel vult de behoefte om te grijpen en te schudden. Welke van de drie het meest nodig is, verschilt per hond en per rastype: een herder wil vaker fixeren en drijven, een terriër wil grijpen en schudden.
  5. De jacht als beloning voor het loslaten. Dit is de bouwsteen die het verschil maakt, en die veel mensen overslaan. Ziet je hond een prikkel, en kijkt hij naar jou in plaats van te vertrekken? Beloon dat niet alleen met een brokje, maar met de vervangende jacht: jij gooit de dummy, jij zet het trekspel in, jij rent met hem weg. Zo is "bij mij komen" niet het einde van het feest, maar de start ervan.

Zo bouw je een sessie op

Werk in korte blokken van vijf tot tien minuten, op een afstand waarop je hond de prikkel wel ziet maar nog kan nadenken. Markeer het moment dat hij de prikkel opmerkt, beloon zodra hij zich naar jou toewendt, en stop de sessie voordat hij over de rand gaat. Verklein de afstand alleen als drie sessies op rij makkelijk gingen — en ga een stap terug op een dag dat het niet lukt, in plaats van harder te werken.

Bouw daarnaast de basis verder uit met impulscontrole en de basiscommando's. Een hond die thuis niet kan wachten, gaat buiten bij een wegspringende haas zeker niet stoppen.

Meet je voortgang niet in weken

Hoe lang dit duurt, hangt af van je hond, zijn rastype, hoe lang het gedrag al bestaat en hoe consequent je bent. Harde termijnen beloven is dus zinloos. Meet het anders: op welke afstand kan je hond de prikkel zien en nog naar jou kijken? Wordt die afstand kleiner, dan boek je winst — ook als je nog nergens los durft te laten. Eén geslaagde jacht kan je trouwens weken terugzetten; dat is normaal en geen reden om te stoppen.

Wat je doet op het moment dat het misgaat

Het gaat een keer mis, ook als je alles goed doet. Wat je op dat moment doet, bepaalt hoeveel schade het aanricht — zowel aan de omgeving als aan je training.

  1. Geef één keer je noodsignaal. Werkt het niet, stop dan met roepen. Blijven schreeuwen maakt het signaal kapot voor de volgende keer.
  2. Ren de andere kant op en maak geluid dat interessant is in plaats van dreigend: een hoge roep, een fluitje, een rammelend voerzakje. Achter je hond aan rennen moedigt de achtervolging juist aan.
  3. Waarschuw de mensen die het aangaat. Roep naar de fietser of jogger, zodat die weet wat er komt; dat scheelt vaak de val.
  4. Ontvang je hond neutraal of vriendelijk. Ook als je woedend bent. De terugkomst mag nooit het moment zijn waarop hij iets vervelends meemaakt.
  5. Neem daarna de situatie op in je notities: welke plek, welk tijdstip, welke prikkel, hoeveel afstand. Dat is de informatie waarmee je het volgende keer voorkomt.
  6. Schroef het management een stap terug. Na een geslaagde achtervolging is je hond een paar dagen gevoeliger; werk in die periode op grotere afstand en met korte lijn.

Als er schade is

Heeft je hond iemand laten vallen: blijf ter plaatse, vraag of het goed gaat en geef je gegevens. Dat is niet alleen netjes, het is ook in je eigen belang bij een schadeclaim. Heeft je hond een wild dier gepakt of verwond, bel dan 144 (Meld Misdaad Anoniem doorverbinding voor dieren in nood) of de terreinbeheerder; een gewond ree laten liggen is geen optie.

Laat je hond daarna zelf nakijken bij twijfel: beetwonden van een verdedigend dier, snijwonden van prikkeldraad en uitputting zijn na een jachtincident de gewone bevindingen, en beetwonden raken snel ontstoken.

Wanneer je hulp inschakelt, en wie

Signalen dat je dit niet alleen moet doen

  • Je hond komt tot grijpen of bijten, bij wild of bij mensen.
  • Je kunt hem fysiek niet houden, of je bent zelf een keer gevallen achter de lijn.
  • Hij richt zich specifiek op hardlopers, kinderen of kleine honden.
  • Hij is ook op tientallen meters afstand niet meer te bereiken.
  • Je durft zelf niet meer te wandelen, of je gaat wandelingen uit de weg. Dat is een reden op zich.

Verandert het gedrag plotseling, of komt het erbij terwijl je hond het eerder niet deed, laat dan ook je dierenarts meekijken. Pijn, een verminderd gehoor of gezichtsvermogen en hormonale of neurologische oorzaken kunnen de drempel verlagen.

Waar je op let bij het kiezen van een trainer

Kies iemand met een erkende opleiding die werkt met positieve bekrachtiging en met vervangend gedrag, en die met je meegaat naar de plek waar het misgaat in plaats van alleen op een trainingsveld te werken. Vraag vooraf hoe die persoon jachtgedrag aanpakt; in het antwoord hoor je meteen genoeg. Wordt een stroomband, prikband of slipketting voorgesteld, zoek dan iemand anders: het eerste is in Nederland verboden en het hele idee erachter — de jacht onaangenaam maken — lost het onderliggende motief niet op en kan angst en agressie toevoegen aan een probleem dat al ingewikkeld genoeg is.

Op langere termijn stabiel blijven

Jachtgedrag verdwijnt niet; het wordt beheersbaar. Reken daarom op onderhoud: houd het noodsignaal scherp door het zeldzaam te houden, blijf de vervangende uitlaat aanbieden, en verwacht terugval in het voorjaar, wanneer er jonge dieren in het veld zitten en er meer beweegt. Zorg verder voor een voorspelbaar dagritme met genoeg slaap en dagelijks snuffelwerk — niet om je hond "leeg" te maken, maar omdat een uitgeruste hond betere beslissingen neemt. Voor de mentale kant binnenshuis kun je terecht bij onze denkspelletjes voor thuis.

En tot slot: dat je hond dit doet, zegt niets over jou als eigenaar. Honden met een sterke jachtdrift zijn vaak precies de honden die het meest opgaan in hun werk. De kunst is niet om dat uit te bannen, maar om er samen een vorm voor te vinden.

Bronnen

Dit artikel is geen vervanging van begeleiding door een gedragsdeskundige. Voor de juridische punten geldt dat regels wijzigen; controleer bij twijfel de actuele tekst of vraag je verzekeraar.

Laatst gecontroleerd: 26 september 2026

Het noodsignaal uit dit artikel staat of valt bij een betrouwbaar terugkomen. Lees hoe je dat opbouwt tot het ook werkt als er iets interessants beweegt.

Artikel samenvatting

Achter fietsers of wild aan rennen is jachtgedrag, en dat gedrag belonen zichzelf: het rennen is de winst, ook als je hond niets pakt. Onderzoek verdeelt de reeks in vier fasen — zoeken, naderen, achtervolgen en bijten — en je invloed neemt per fase snel af, dus je wint dit bij het eerste scannende moment. Roepen tijdens de sprint, straffen na het feit en je hond "moe maken" werken niet; stroombanden zijn in Nederland sinds 1 januari 2022 zelfs verboden. Begin daarom met management: een lange lijn op een Y-tuig, rustige routes en geen vrij loslopen bij wild, zodat het gedrag niet meer geoefend wordt. Train vervolgens vijf dingen: vrijwillig oogcontact, een zeldzaam noodsignaal, de U-turn, een vervangende uitlaat voor zoeken, rennen en grijpen, en de jacht in vervangende vorm als beloning voor het loslaten. Houd er tot slot rekening mee dat je als bezitter risicoaansprakelijk bent voor de schade die je hond veroorzaakt, ook zonder dat er contact is geweest.

Veelgestelde vragen

Omdat iets wat snel van hem af beweegt de aangeboren jachtreeks in gang zet. Het rennen zelf is daarbij de beloning, dus er hoeft niets gepakt te worden om het gedrag te versterken. Dat verklaart ook waarom het sterker wordt als je hond het vaak kan doen, en waarom "hij vangt nooit iets" geen geruststellend argument is.

Afleren niet, beheersbaar maken wel. Jachtgedrag is aangeboren en verdwijnt niet; wat je opbouwt is een alternatief dat de moeite waard is plus een stopsignaal dat werkt voordat de sprint begint. Ook bij een volwassen hond kan dat, al vraagt het meer geduld en consequentie dan bij een jonge hond.

Nee. Jachtgedrag raakt niet op; het wordt door een prikkel aangezet, niet door een energieoverschot. Een hond die net twee uur heeft gerend, gaat nog steeds achter een opvliegende vogel aan, en een oververmoeide hond heeft juist mínder impulscontrole. Wat helpt is de juiste inspanning: snuffelwerk, zoekspel en een vervangende uitlaat voor de rendrang op jouw signaal.

Nee. Sinds 1 januari 2022 is het in Nederland verboden om apparatuur te gebruiken die stroomstoten aan een hond kan geven; dat staat in het Besluit houders van dieren. Uitzonderingen gelden alleen voor diergeneeskundige handelingen, schrikdraad en politie en marechaussee. De verkoop is niet verboden, dus dat je zo'n band kunt kopen betekent niet dat je hem mag gebruiken. Stelt een trainer dit voor, kies dan een andere trainer.

In beginsel wel. Artikel 6:179 BW legt een risicoaansprakelijkheid bij de bezitter van het dier, dus ook als jij zelf niets verkeerd deed. In een zaak bij de rechtbank Midden-Nederland werd een eigenaar volledig aansprakelijk gehouden nadat een loslopende hond het fietspad op liep en de fietser bij het uitwijken viel — zonder dat hond en fietser elkaar hadden geraakt. Check daarom of je hond meeverzekerd is op je aansprakelijkheidsverzekering.

Nee. Je hebt een zorgplicht om te voorkomen dat je hond dieren in het wild schade toebrengt, en hij moet altijd onder controle zijn — ook op plekken waar loslopen is toegestaan. In natuurgebieden geldt bovendien vaak een aanlijnplicht, en in het broedseizoen (doorgaans 15 maart tot en met 15 juli) wordt scherper gehandhaafd. Heb je een windhond, laat die dan buiten niet los: wie met een jachtmiddel in het veld is, wordt geacht te jagen.

Meestal niet. In de achtervolgingsfase hoort je hond je nauwelijks nog, en elke keer dat je roept zonder resultaat verzwakt je signaal. Geef daarom maximaal één keer je noodsignaal en ren daarna zelf de andere kant op in plaats van te blijven schreeuwen. De echte winst zit in de fase ervoor: het moment waarop hij kop omhoog gaat en begint te scannen.

Een muilkorf voorkomt schade als je hond echt grijpt, maar hij voorkomt het rennen niet en lost het onderliggende gedrag niet op. Zie hem dus als management naast de training, niet in plaats daarvan. Kies een korf waarin je hond kan hijgen en drinken, en bouw hem met beloningen rustig op in de weken vóór je hem nodig hebt.

Als je hond tot grijpen of bijten komt, als je hem fysiek niet kunt houden, als hij zich richt op hardlopers, kinderen of kleine honden, als hij ook op tientallen meters niet meer te bereiken is, of als je zelf wandelingen begint te vermijden. Kom je er ondanks consequent werken niet verder, dan is meekijken ook zinvol. Verandert het gedrag plotseling, laat dan eerst je dierenarts naar pijn, gehoor en zicht kijken.

Afsluiting

Begin klein en in die volgorde: haal de herhaling eruit met een lange lijn en een andere route, leer de signalen van fase 1 zien, en geef je hond een vorm van jagen waar jij bij hoort. Dat is trager dan een snelle correctie, maar het is het enige wat blijft werken als er echt iets wegspringt.

Scroll naar boven